Wapenverzamelaars opgelet!

Onlangs is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant een vonnis gewezen dat zeer van belang is voor wapenverzamelaars in de brede zin van het woord. In het vonnis zijn een aantal – blijkbaar – bestaande onduidelijkheden nader beschouwd en uitgelegd. De basis voor dit vonnis ligt mede in de uitgebreide rapportage omtrent de strafbaarheid en categorisering van de betreffende zaken door de gerechtelijk deskundige Ing. J. van Driel waarin veel van de bedoelde onduidelijkheden (bij het OM) zijn gepreciseerd en toegelicht. Ik zal hier kort ingaan op de van belang zijnde elementen uit het vonnis.

Vrijgestelde gedeactiveerde wapens

De rechtbank heeft allereerst een oordeel gegeven over de aanvaarding van verschillende deactiveringsmethodieken bij gecertificeerd gedeactiveerde wapens met een bijbehorende aangewezen markering. In het vonnis (r.o. 4.3.2.) is omschreven dat indien sprake is van onklaar gemaakte wapens met bedoelde certificering en markering, deze zijn vrijgesteld op basis van art. 18 RWM. Deze wapens mogen derhalve vrij voorhanden worden gehouden, máár er schuilt een addertje onder het gras.  

Meldingsplicht

In hetzelfde artikel 18 RWM wordt namelijk een meldingsplicht genoemd (lid 3); “mits van het voorhanden hebben van deze wapens melding is gedaan bij de korpschef”. Deze plicht geldt met betrekking tot de gedeactiveerde vuurwapens als bedoeld in de onder lid 3 genoemde gevallen:

  1. Vuurwapens die op of na 8 april 2016 voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt uitsluitend indien uit een certificaat afgegeven door de in artikel 43 van de wet genoemde bevoegde autoriteit voor de controle blijkt dat het betreffende vuurwapen voor gebruik als zodanig ongeschikt is gemaakt op de wijze, beschreven in Bijlage I ‘Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens’ bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2018/337 van de Commissie van 5 maart 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PbEU 2018, L 65/1)

    en
  2. Vuurwapens die vóór 8 april 2016 voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt volgens deze bepaling zoals deze luidde vóór 8 april 2016, tenzij de vuurwapens naar een andere lidstaat worden overgebracht of op de markt zijn gebracht, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de voornoemde verordening.

Hoewel de gedeactiveerde vuurwapens derhalve vrij zijn op grond van art. 18 RWM indien zij zijn voorzien van een certificaat met de benodigde markering, blijft het voor de verzamelaar van deze wapens verplicht om melding te maken bij de Korpschef dat zij dergelijke zaken voorhanden hebben. Het lastige hiervan is dat dit niet algemeen bekend is bij verzamelaars, omdat ook niet vaststaat op welke wijze de melding moet worden gedaan. Het is derhalve op dit moment niet duidelijk hoe aan deze meldingsplicht moet worden voldaan. Bij velen leeft het idee dat hier dan ook niet op wordt gehandhaafd. Niets is echter minder waar, zo blijkt uit dit vonnis. Hoe kan dit dan worden ondervangen? Mijn advies: een e-mail of een aangetekend schrijven ter attentie van de korpschef. Dat lijkt in dit geval het meest voor de hand liggend, zodat ik eenieder die wapens als hiervoor bedoeld verzamelt, adviseer om zo spoedig mogelijk een dergelijk bericht richting de korpschef te sturen om te voorkomen dat de verzamelaar – onbedoeld en onbewust – strafbaar wapenbezit kan worden verweten. De vrijstelling van het voorhanden hebben geldt immers slechts indien is voldaan aan de meldingsplicht.

Hulpstukken

De rechtbank heeft ook een duidelijk oordeel gegeven over de benadering van hulpstukken in relatie tot de WWM. Voor wat betreft de hulpstukken als bedoeld in artikel 3 WWM geldt dat deze pas onder de werking van de WWM vallen indien deze daadwerkelijk als zodanig aangewezen zijn in artikel 10 van de Europese Richtlijn; derhalve indien deze bestemd zijn voor semiautomatische vuurwapens met centrale ontsteking en ze meer dan 20 patronen, of meer dan 10 patronen in het geval van lange vuurwapens, kunnen bevatten.

De rechtbank heeft terzake geoordeeld dat magazijnen ten behoeve van volautomatische wapens alsmede de kleinere magazijnen met een capaciteit van minder dan 20 of 10 patronen (en dan dus afhankelijk of het om lange of korte vuurwapens gaat), niet onder werking van de WWM vallen. Ook wordt een granaattap voor een AK47 niet als een hulpstuk in de zin van de WWM beschouwd noch als een essentieel onderdeel, zodat ook deze niet onder de werking van de WWM valt. Deze zaken kunnen derhalve (al dan niet ten behoeve van een verzameling) vrij voorhanden worden gehouden.

Dummy patronen

Verzamelaars maken hun verzameling graag compleet met bijbehorende munitie in de vorm van dummy patronen. Pas op daarmee! Dummy patronen die bestaan uit gebruikte hulzen en daarbij behorende (bruikbare) kogels, zijn niet vrij! Kogels zijn sowieso nooit vrij. Gebruikte hulzen kunnen vrij zijn, maar dan moeten ze zodanig beschadigd zijn dat ze niet meer kunnen worden beschouwd als geschikt om munitie van te vervaardigen. Zolang de hulzen nog – bijvoorbeeld na restauratie en oppoetsen – kunnen worden gebruikt voor munitie, zijn deze niet vrij. Het maakt in dit geval niet uit of de onderdelen apart worden gehouden of dat ze samen zijn gevoegd (bijvoorbeeld dat een kogeltje op de huls is geplaatst); het voorhanden hebben van deze elementen, afzonderlijk of tezamen, is niet vrij. Slechts als deze ondubbelzinnig onderdeel uitmaken van een verzameling, dan is het mogelijk om gebruikte hulzen voorhanden te hebben. Waaruit daadwerkelijk moet blijken dat sprake is van een verzameling is niet vastgesteld, zodat dit een open criterium blijft waarbij – zo blijkt wel uit dit vonnis – ook eenvoudig door de rechter kan worden geoordeeld en gesteld dat géén sprake is van een verzameling, al is de intentie van de verzamelaar wel als zodanig. Onderdelen van munitie blijven derhalve spannend!

Contra expertise

De rechtbank heeft in deze uitspraak wederom vastgesteld dat als voorwerpen vernietigd zijn en er derhalve geen contraexpertise kan worden gedaan, vrijspraak dient te volgen. Het verdedigingsbelang prevaleert in dit soort situaties aldus altijd. Dat is een belangrijk element en goed om dat hier (nogmaals) bevestigd te zien.

Wees derhalve als verzamelaar bewust van de zaken die wel en niet vrij voorhanden mogen worden gehouden en wees vooral bewust van de meldingsplicht die aan de vrijstelling van artikel 18 RWM kleeft! Een gewaarschuwd mens…

mr. S.E de Vries, Lexington Advocaten

Hoofddorp, 20 maart 2024

Uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:1244